Koppelwerkwoord
Geplaatst door: bobjegoudsmit januari 9, 2012Een van de lessen die ik me nog goed kan herinneren, is de les die ik destijds moest geven over het koppelwerkwoord. In een van mijn tweede klassen, op de mavo-afdeling. De uitleg begrepen ze, maar op de een of andere manier lukte het me niet om de drie werkwoorden zijn-worden-blijven in hun hoofd gestampt te krijgen.
‘Jongens, het is belangrijk om ze te onthouden. Vooral bij Duits heb je ze nodig,’ jammerde, nee, smeekte ik. ‘Probeer ze nu alsjeblieft eens niet te vergeten.’
Tevergeefs.
Tot ik er een spelletje van maakte. Ik vertelde hoe juffrouw Postma, mijn onderwijzeres van de lagere school, af en toe strafexercities invoerde, als een kind weer eens het woord onmiddellijk verkeerd had geschreven. Dan pakte ze haar aanwijsstok en tikte met de punt op de houten vloer, terwijl wij ‘onmiddellijk met twee d’s en twee l’s’ moesten roepen. Alles op de maat.
‘Destijds vond ik dat heerlijk,’ legde ik uit. ‘Lekker gillen met zijn allen. Ik schreeuwde mijn longen uit mijn lijf. Nou, wij gaan dat nu ook eens proberen.’
Ik pakte de houten bordenwisser (niks geen digibord in die tijd) en tikte ermee op mijn tafel: ‘Als ik drie keer achter elkaar tik, roepen jullie zo hard je kunt ZIJN WORDEN BLIJVEN.’
Ik oefende het een paar keer achter elkaar en zowaar, het werkte.
Nou, ja, het werkte voor één lesuur. Twee dagen later vroeg ik bij het huiswerk overhoren: ‘Wat roep je, als ik drie keer op de tafel tik met de bordenwisser?’
Dertig paar gefronste wenkbrauwen. ‘Ja, dat was leuk! Iets met ontleden, geloof ik. Maar de rest weten we niet meer.’
Vier keer alles weer herhaald en daarna maakte ik er een toneelstukje van. Ik wees één vrijwilliger aan en besprak met hem in de klas dat hij straks even naar de gang moest. Na tien minuten mocht hij weer binnenkomen en dan moest hij de volgende conversatie voeren:
Hij: ‘Dag mevrouw Goudsmit.’
Ik: ‘Hé, hallo. Wat leuk dat je er bent.’
Hij:’Ja, ik ben een beetje laat. Sorry. Maar dat komt omdat ik u iets moet vertellen.’
Ik: ‘O ja? Wat dan?’
Hij: “Wist u dat er drie koppelwerkwoorden zijn?’
Ik: ‘Nee toch? Echt waar? Wat interessant.’
Hij: ‘Ja. En wilt u ze weten?’
Ik: ‘O, heel graag.”
En dan moest hij ze alle drie opnoemen.
De leerling droop naar de gang af. De klas zat zich te verkneukelen van de lol en de spanning.
Na tien minuten klonk er een klein verlegen klopje op de deur. Ik riep opgewekt: ‘Binnen!’
Hij bleef in de deuropening staan. Hij staarde de andere leerlingen aan, krabde in zijn haar en zei toen blozend van schrik: ‘Ik weet het niet meer!’
De muren in mijn lokaal vielen bijna om van het lawaai, zo hard moest de klas lachen.
In de kleine pauze vroeg een collega zuur aan mij: ‘Waarom was het zo’n herrie bij jou? Ik had er behoorlijk last van.’
‘Ach, ik was iets aan het uitleggen,’ zei ik luchtig. ‘Het koppelwerkwoord. Daar heb je altijd een beetje lawaai bij nodig.’
Twee jaar later moest ik surveilleren bij het schoolonderzoek MAVO. Mijn vrijwilliger was een van de eindexamenkandidaten. Terwijl ik de examenblaadjes uitdeelde, grijnsde hij naar me en tikte drie keer met zijn ballpoint op de tafel. ‘Ik weet ze nog, hoor. Zijn-worden-blijven!’
Ik gaf hem een vette knipoog. ‘Jij slaagt vast. Ik zal voor je duimen!’